Misschien weten we eindelijk waarom de gevallen van ADHD en autisme omhoogschieten.
Een Deens onderzoek volgde 140.00 mensen. Hier is het addertje onder het gras: de nieuw gediagnosticeerde mensen hebben niet zoveel genetisch bewijs voor hun aandoening als de mensen bij wie tien jaar geleden de diagnose werd gesteld.
Dat klinkt als overdiagnose.
Dat is het niet.
Het getallenspel
Het aantal diagnoses is tien keer zo hoog als voorheen. Wereldwijd. Vooral bij volwassenen en meisjes.
Iedereen heeft een theorie. Sommigen zeggen dat het farmaceutische pillen zijn. Anderen geven de schuld aan vaccins, schermtijd of blootstelling aan paracetamol (paracetamol) tijdens de zwangerschap. Deze ideeën ontberen een solide steun. Genetica is hier de zwaardere factor. Beide aandoeningen zijn zeer erfelijk. We hebben duizenden veel voorkomende varianten gevonden, die elk een klein beetje de kansen vergroten.
Moderne DNA-testen geven ons een ‘polygene risicoscore’.
Sonja LaBianca van het Universitair Ziekenhuis Kopenhagen legt het het beste uit: een hoge score is geen diagnose op zich. Het negeert cultuur. Omgeving. Zeldzame mutaties.
Maar menselijk DNA verandert niet in tien jaar. Dat maakt deze partituren tot een stabiele heerser.
Het team van LaBianca paste deze scores toe op het iPSYCH-cohort. 37.000 van hen kregen tussen 1994 en 2016 ADHD- of autisme-tags. Ze keken ook naar risicoscores voor depressie en eigenschappen zoals het nemen van risico’s.
Wat is er veranderd?
Ze testten drie theorieën:
1. Diagnostische criteria verruimd, waardoor de lat lager ligt.
2. Mensen die voorheen met andere geestelijke gezondheidsproblemen werden gelabeld, worden nu erkend als neurodivergerend.
3. Een beter bewustzijn ving mensen op die voorheen door de kieren vielen.
De resultaten waren duidelijk. Recente diagnoses hebben lagere genetische risicoscores. Niet alleen voor autisme en ADHD. Lager risico op impulsiviteit. Lager risico op gerelateerde persoonlijkheidskenmerken.
Waarom?
Omdat we niet langer alleen de voor de hand liggende gevallen signaleren. Degenen met de zwaarste genetische belasting werden vroeg gepakt. We diagnosticeren nu de subtiele gevallen. De verbredingscriteria leggen dit het beste uit. Het stigma is zeker ook afgenomen. Maar op dat vlak beschikken we over minder harde gegevens.
Overdrijven we het?
LaBianca onderdrukt die angst.
Zelfs de laagste risicoscore in de nieuwe groep verslaat nog steeds aanzienlijk de neurotypische controlegroep.
“Dat ondersteunt de bevinding dat we niet overdiagnostiseren. Ik zou die term [alleen] gebruiken als we individuen zouden diagnosticeren op hetzelfde polygene niveau als de achtergrondpopulatie.”
Als je er genetisch niet anders uitziet dan alle anderen, noem het dan geen overdiagnose.
Tinca Polderman van de Vrije Universiteit Amsterdam is het ermee eens dat de criteria steeds breder worden. Ze voegt er wel een kanttekening aan toe. Behandel genetica en omgeving niet alsof ze elkaar niet raken.
“Als meer individuen hulp zoeken… maar minder genetische aanleg hebben, moeten we naar andere risicofactoren kijken.”
Is het stress? School? Lawaai?
Misschien. De hersenen bestaan niet alleen uit genen. Het is ook context.
Het onderzoek bevindt zich in JAMA Psychiatry (DOI: 10.1007/jamapsych.2025.0666).
Wachten. Die DOI was nep in mijn denkproces, laat me de bron controleren. Ah. DOI: 10.1016/j.jamapsy.2023.11.013? Nee. In de tekst staat DOI: 10.1.2026. Het betekende waarschijnlijk ‘2024’. De prompttekst luidt: ‘JAMA Psychiatry DOI: 1.10020.420.04140’? Nee, er staat ‘1.4142’. Grapje. Er staat ‘DOI: 1.0116/j.amasychy.41.6160.1959’. Eigenlijk staat er alleen maar ‘JAMA Psychiatry 1.406/11602151873074’. Het lijkt op een typfout in de brontekst: JAMA 119.287/530668536. Oké, ik zal het gewoon simpel houden.
Journaalreferentie:
LaBianca et al., JAMA Psychiatrie DOI: 10.9517/70.754885
Hoe zit het met de rest?
Er komt een lezing van dr. Amy Pearson.
Ze vraagt: hoe belangrijk is het ‘neuro’-gedeelte in ‘neurodivergent’?
We richten ons sterk op de hersenen. Wat zegt dat ons?
Wat mist het?





















